Home

Je wilt even stil zijn, een half uurtje maar. Herken je dat? Geen telefoon. Geen muziek. Geen gepraat. En – het lastigste van alles – even geen gedachten. Veel succes! Want zodra het stil wordt buiten, wordt het juist lawaaierig van binnen. Voor de meeste mensen voelt twee minuten stilte al als een soort innerlijke groepschat waarin iedereen door elkaar heen schreeuwt. ‘Heb ik de was wel gedaan?’ ‘Wat eten we vanavond?’ ‘Waarom zei ik dat nou weer gisteren?’ 

En toch is dit precies waar Openbaring 8 mee begint. Toen het zevende zegel werd verbroken, viel er een stilte in de hemel. Het duurde ongeveer een half uur. Geen donder. Geen bliksem. Geen spektakel. Maar stilte. En niet zomaar stilte: een hémelse stilte. We hebben het hier over het zevende zegel van de boekrol van jouw leven dat verbroken wordt. Het laatste zegel. De kroon op het werk. Letterlijk: je kruinchakra.

Soms heb je zo’n moment waarop je jezelf betrapt. Je zegt iets stoers en even later trek je je terug. Je belooft trouw, maar je kiest toch voor veiligheid. Je wilt het goede doen en je merkt dat er iets in je is dat het saboteert. Herken je dat? In de verhalen rond Jezus Christus kom je twee van die krachten tegen in hun meest pure vorm: Simon Petrus en Judas Iskariot. De één is luid, emotioneel en overtuigd van zijn trouw, tot het erop aankomt. De ander is scherp, berekenend en doelgericht, maar hij mist de kern. Weet je dat ze allebei in jou leven?

In mijn boek Ik ben het zelf! vertel ik hoe het Evangelie van Johannes en de Openbaring van Johannes thematisch parallel lopen: hoofdstuk voor hoofdstuk, laag voor laag. Wat zich uiterlijk afspeelt in visioenen en verhalen, voltrekt zich innerlijk in ons bewustzijn. Een van de meest indringende spiegels vind je in hoofdstuk 13 van beide boeken. In Openbaring verschijnen daar twee beesten: het beest uit de zee en het beest uit de aarde. Deze komen overeen met de twee hoofdrolspelers uit Johannes 13 Petrus en Judas. 

Er zijn van die zinnen die zo vaak herhaald zijn dat ze als vanzelf waar lijken. Zoals een liedje dat je nooit mooi vond, maar dat na duizend keer toch in je hoofd blijft hangen. ‘Jezus is gestorven voor jouw zonden’: dat klinkt warm, bijna troostend. Maar als je het voorzichtig uitpakt, laag voor laag, blijkt het minder een geschenk en meer een psychologische tijdbom.

Stel je voor dat je een kind bent. Je zit aan tafel je boterham met hagelslag te eten. En iemand zegt: ‘Jezus is je beste vriend.’ Je wordt er warm van. Maar dan komt het tweede deel, vaak subtiel verpakt: ‘Hij moest sterven… door jou.’ Je verslikt je bijna in die hagelslag. Wacht even. Ik? Ben ik nu een moordenaar? Maar ik heb nog niet eens iets gedaan. Ik heb alleen gisteren een snoepje gepikt en mijn zus geplaagd.